Westbroek
Journalistieke Producties

De Zoon

DE ZOON

‘We werkten in het souterrain, samen met een gepensioneerde boekhouder, een aardige man, die stil in zijn hoekje zat te werken. Verder was er een meisje, een dochter van een notaris. Mijn vader nam haar aan vanwege de status, maar ze kon geen facturen maken, niks. Als ze koffie in de gangkast ging zetten, bleef ze een kwartier weg. Als ik ging kijken, stond ze bij het apparaat. “Ja, ik ben koffie aan het zetten.”

“Maar die koffie zet zichzelf toch wel…”’

Citaat uit een boek over de historie van een Rotterdamse uitgeverij, uit de mond van de zoon van de markante uitgever, die zijn markante pa opvolgde in diens markante uitgeverij.

Het boek kreeg ik op een vrijdagmiddag in 2012 van De Zoon. In het kader van aanboren van nuttige potentiele werkcontacten uit heden en verleden had ik hem bezocht in de uitgeverij. Een weerzien na eenenveertig jaar. We kletsten gezellig bij. Over het uitgeverswezen, de journalistiek, hardlopen, kinderen. Ik over de mijne, hij over de zijne. Een van zijn zoons, beeldend kunstenaar, leed aan angsten en waanideeën. Hij pleegde zelfmoord toen hij eenendertig was. Zijn meervoudig gehandicapte stiefzoon stierf jong.

Ik las het boek die avond voor het slapengaan en schoot recht overeind bij de passage over het meisje. Dat meisje was ik. Weg nachtrust…

Eigenlijk kon ik weten dat De Zoon mij zo zag. Hopelijk heb ik dat beeld die middag misschien wat kunnen wegnemen. ‘Het meisje’ groeide uit tot een kundig journalist.

Toen Zoon in 1971 zijn intrede deed in de zaak van zijn vader, werkte ik twee maanden in de uitgeverij. Klein, en verstopt in het souterrain van een monumentaal pand, niet ver van het Euromastpark. Een begrip in Rotterdam. Overwegend traditioneel fonds. Wijnboeken, architectuurboeken, historische werken, biografieën van markante industriëlen, maar ook wereldliteratuur.

Ik kwam net van de MMS (voorloper van de havo) en ging een tijdje werken, omdat ik nergens terechtkon voor een studie. De School voor de Journalistiek had een eerstejaarsstop, de sociale academie, een modieuze tweede keus, wees mij keihard af: ik was te zeer op mezelf gericht.

Typen had ik nooit geleerd en sorteren in kaartenbakken vond ik stomvervelend. Het leukste vond ik manuscripten lezen en corrigeren van drukproeven, maar dat kwam weinig voor. Eigenlijk was ik een soort stagiaire die alles nog moest leren. Niet alleen kantoorwerk, maar vooral leven. Een bang, verzenuwd vogeltje was ik, nog lang niet klaar voor de grote, boze, onoverzichtelijke wereld. Dat eerste baantje was een leerschool, in meerdere opzichten.

Zoon had in de Deense uitgeversbranche gewerkt. Na zijn terugkeer in Nederland kwam hij bij Pa in de zaak. Met zijn martiale snor leek de rijzige dertiger wel wat op vader Jan, uit de strip ‘Jan, Jans en de kinderen’. In de loop der jaren veranderde dit, en nam hij met zijn negentiende -eeuwse fin-de-siècle-outfits meer en meer de gedaante aan van personages uit romans van Dickens en Couperus. Daarbij leek hij sprekend op zijn vader, die ook nooit zonder vlinderstrik de deur uitging, en een fraai gestileerd wit sikje onderhield.

Zoons cynische en soms melige humor sprak mij enerzijds aan ( af en toe zo zouteloos dat het juist hilarisch werd: ‘Boekhandel Mazijk? Boekhandel Pa-pis zullen ze bedoelen!’ ‘Ik vind persoonlijk….’ ‘Hoe vind je het onpersoonlijk?’), anderzijds vond ik die humor ietwat bedreigend. Met manuscripten die hij moest beoordelen, veegde hij de vloer aan. Doorspekt van snijdende kanttekeningen las hij passages voor uit werken van hobby-auteurs, die in hun argeloze onschuld vuistdikke manuscripten naar de uitgeverij stuurden, in de hoop op een literaire doorbraak. ‘Ach, kijk eens aan… Hier, een ode aan Bobby Watson, nee maar, haha!’ Om even later het dikke pak papier in een retourenveloppe te douwen: ‘Daar gaat meneer zijn levenswerk!’

Tegen mij, als ik weer eens iets fout had gedaan: ‘Meisje, je bent me er eentje. Hoe moet dat met jou? Denk je: alles sal reg kom, of vraag je je af: wat doe ik eraan?’

Vreemd genoeg kwamen dit soort sneers niet echt aan bij mij. Maar ik stortte totaal ineen toen hij mij aanraadde maar eens Mensendieck te gaan doen vanwege mijn in elkaar gedoken houding. Luid snikkend liet ik mijn hoofd op de schrijfmachine vallen en belde in uiterste wanhoop naar huis, om mijn hart te luchten. Ik voelde me alsof ik zojuist te horen had gekregen dat ik zonder plastische chirurgie beter een doek over mijn kop kon trekken.

We hebben het uitgepraat. Geschrokken van mijn reactie zwakte hij zijn woorden enigszins af.

Hij had natuurlijk gelijk. Veertig jaar later ben ik Mensendieck gaan doen, om mijn hardlooptempo omhoog te krijgen. Mijn slakkentempo lag voor vijftig procent aan mijn bultenaarshouding. En zo had Zoon wel vaker gelijk. Achteraf snap ik best waarom hij gek werd van de zoveelste verknoeide factuur of foute telefonische doorverbinding. Maar hij had het allemaal wat subtieler kunnen brengen.

Ik leerde ook van hem. Hoe je dingen wél moest doen. Een zakenbrief indelen. Een tabel maken op de typemachine. Een wereld ging voor mij open toen hij mij de wonderen van de tabulator openbaarde. Wat een leuk spelletje! Hij leerde me de juiste correctietekentjes, in de maand voordat ik opzegde omdat ik zou gaan studeren. Eerder gebruikte ik mijn eigen – waarschijnlijk onbegrijpelijke- tekentjes. Jammer, anders hadden Vader en Zoon langer iets aan mij kunnen hebben.

Briljant was zijn methode om het legen van een prullenbak nog wat uit te stellen. Hij zette zijn voet op de overbloezende afvalberg en stampte die stevig aan. Een diepe afgrond kwam vrij voor een verse lading zooi. Had ie bij de padvinderij geleerd. Nog altijd pas ik dit systeem toe. En steeds denk ik dan weer even aan Zoon, die in 2018 overleed, nadat hij decennialang de uitgeverij dreef, vanaf het moment dat Vader zich terugtrok.

Zijn taalgebruik beïnvloedde mij voor de rest van mijn leven. Met name zijn ongeëvenaarde manier van vloeken imiteer ik nog regelmatig. Haperende telefoonverbindingen en weigerende apparaten brachten hem tot grote woede, die zich uitte in een onheilspellend rommelende, en langzaam aanzwellende donder: ‘…Wel…God…vER…DOMME!’ Aan den lijve ondervind ik hoe dit kan opluchten bij lekkende melkpakken, ontspoorde ritssluitingen of ten onrechte geweigerde internet-wachtwoorden.

Vragen naar de bekende weg (daarin was ik dan weer wél goed) beantwoordde hij door zijn ogen ten hemel te heffen en een kruis te slaan, hoewel hij bij mijn weten niet katholiek was. Zo’n kruis sla ik -evenmin rooms- nog steeds vaak, in vergelijkbare situaties.

In necrologieën wordt Zoon geroemd als een belezen heer uit de late romantiek, met de gave van het woord, dichterlijke aanleg, taalvirtuositeit, zelfspot en een helder inzicht in de menselijke psychologie.

Helemaal waar.

Maar hij had ook een andere kant.

Toch mooi dat ik die kant heb leren kennen. Ik heb leren leven. Met zijn cynische wisecracks heeft Zoon hier beslist aan bijgedragen.

Laat een reactie achter.

Inloggen is niet nodig. Klik in het tekstveld en kies een naam om als gast te reageren.
blog comments powered by Disqus

Ineke's tweets