Westbroek
Journalistieke Producties

Paint it black

Paint it, black

Vakantie in de Hunsrück. Boodschappen doen bij de Rewe. De een doet de boodschappen, de ander wandelt met hond Lola. In opwachting van Man ging ik met Hond in de auto zitten. Idyllisch omgeven door groene heuvelen. Smartphone binnen handbereik. Nog nieuwe berichtjes? Heej… gesprek gemist… Broers nummer… Vast zijn zoveelste broekzakgesprek. Maar was hij het wel zelf? Lag hij in het ziekenhuis? Ongeluk? Hartaanval? Ik belde terug. M., Zijn dochter. Snik in haar stem: ‘Papa is overleden.’

Gisteren hadden we het nog over hem. Jeugdherinneringen, die in vakanties opkomen als kakken. Associaties. Een voetballend jochie in een weitje. Broer was voetbalgek. Met vader naar Sparta. Pim Doesburg was zijn grote held. In onze speelkamer was hij Doesburg. Hij rolde een bal en wierp er zich met zijn volle gewicht bovenop. Beneden kwam de kalk uit het plafond. Toch zei hij ruim 50 jaar later dat hij nooit iets met voetbal had, en dat vader hem dwong tot Kasteel-bezoek. Zo herschreef Broer zijn geschiedenis, zijn leven lang.

Allemachtig, waar blijft ie nou? We hadden toch twee uur afgesproken? Nog maar koffie bestellen dan? Of alvast een Duveltje, ook voor hem. Toch maar even bellen. Tien, vijftien keer gaat de telefoon over. Dan toch zijn stem. Verward, geschrokken, overvallen. Eh… Hallo… Ja??!! Gewekt uit de diepste krochten van zijn alcoholische slaap? Nee hoor, een klusjesman die net toen Broer wilde vertrekken de schuur moet opmeten. Een belastingaccountant, die plots formulieren moet doornemen. De therapeut, voor een sessie aan de keukentafel. Zijn smoezenarsenaal was onuitputtelijk. ‘Maar ik kom eraan hoor!’

En inderdaad, na een halfuurtje stapt Broer het café binnen. Gebogen schouders, vermoeide tred, moedeloze oogopslag, altijd dezelfde jas aan. Geen schim van de stoere blonde bink, die hij ooit was. De bink waar vrouwen op vielen.

Zijn Duveltje doet hem opleven. En ons hondje Lola, die uitzinnig van vreugde op zijn schoot springt en hem in uiterste concentratie af slobbert.

Zo gaat het vaak bij afspraken met Broer in ons vaste café aan de rand van het bos, dichtbij zijn huis. Alle structuur kwijt. Het hoort bij baggerpoel waarop zijn leven is uitgedraaid.

‘Dat huis wil ik kopen.’ Wandelend door zijn woonplaats Zeist wijst Broer op een kapitale villa met een oprijlaan ter grootte van een wijkpark.

‘Maar eh… Jullie hebben al twee kasten van huizen naast elkaar met gigantische tuinen erbij…’

‘Nou en? Deze kan er nog wel bij. Ik heb zo’n ongelofelijke hoop geld…’

Even later. ‘Ik overweeg deze auto te kopen.’ Broer bedoelt een reusachtige SUV in de oprit van weer een andere kapitale villa.

‘Maar jullie hebben toch al een auto? En laatst zei je nog dat je alleen nog maar motor wilde rijden?’

‘Ik ben nou eenmaal gek op dit soort auto’s. En ik kan het betalen.’

‘Hoera, daar is de zak weer!’ Mijn reactie bij de binnenkomst van mijn pasgeboren broer. Wat lachte iedereen nou? Snapten zij niet hoe blij is was met de terugkeer van die schitterende pastelblauwe babyzak met de eendjes erop? Het was de zak waarin ik pop Hanneke en beer Foos door het huis droeg en van hot naar her sleepte. En ineens was hij weg. Meegenomen naar het ziekenhuis, begreep ik later. De inhoud van de zak, die moeder de trap op droeg, beviel me maar matig. Ik had me verheugd op een zusje, niet op een broertje naar wie alle aandacht uitging. Visitetantetjes: ‘Jij bent zóóó groot en hij is zóóó klein.’ Wijd uitgespreide armen, vervolgens een rondje met duim en wijsvinger. ‘Jij bent de oudste, dus de wijste’. Was ik met drie jaar ineens volwassen? Ik wilde ook een schattig klein kindje zijn!

Broertje kroop door de gang, ik stopte hem en ging op zijn hoofd zitten. De wijste? In ieder geval de grootste. En de sterkste.

‘Sla mij eens?’ Een mollig handje raakte mijn onderarm.

‘Moes, hij slaat mij!’

Maar hij was ook mijn grootste knuffelpop. Naast hem liggend op een kleedje blies ik door zijn satijnzachte blonde babykrullen. Lijdzaam onderging hij dit, maar ik betwijfel of hij het op prijs stelde.

We deden zo veel samen. Ruziemaken. Spelen. Vadertje en moedertje. Ik was de moeder. Baadde de poppen in de wasbak. Voerde ze van het poppenservies. Bracht ze naar school en naar bed. Broer was papa en deed zijn werk. Daardoor kon hij zijn eigen dingen doen. Hij wisselde nogal eens van beroep. Als garagehouder reed hij zijn autootjes naar de garage en haalde de banden eraf. Hij was timmerman met zijn hamertje tik. Dokter met zijn dokterskoffertje. Ridder. Oorlogsheld. Een voorschot op zijn latere beroepskeuzen.

‘Chroesjtsjov! Chroesjtsjov!’ Uitzinnig danste Broertje op de schoorsteenmantel, zwaaiend met een vlaggetje. Geïnspireerd was hij, door wat hij op de radio had gehoord: het bezoek van het toenmalige Russische staatshoofd aan Parijs, waar hij door een luidkeels jubelende menigte aanhangers (in scène gezet?) werd onthaald. Broertje vond het in ieder geval te gek. Gelukkig hield de schoorsteenmantel de vierjarige turf.

In alle vroegte slopen Broertje en ik naar de huiskamer. De dinertafel stond er nog zoals de dag ervoor. Etensresten op de borden, wijnresten in de glazen. Opa en oma, bij wie we inwoonden, hadden weer eens een familiedineetje gehad.

De wijnglazen met restjes oefenden magische kracht op mij uit. Wie wijn drinkt, is een groot mens. Dus dronken wij ze leeg. Heb ik Broer daarmee aan de drank gebracht? Hij was nog maar twee!

Tomeloze lol, onstuitbare lachbuien. Melige pies- en poepgrappen op de achterbank van de auto, op weg naar vakantiebestemmingen. Mensen nadoen met gekke stemmetjes, de ander moest raden wie werd uitgebeeld. Slappe lach, ouders die machteloos en vruchteloos voorstelden eens naar buiten te kijken en van het fraaie landschap te genieten.

Poppenhoofden verwisselen. Lachstuipen om het hilarische effect van een veel te groot hoofd op een veel te klein rompje. Of omgekeerd. Boven de wasbak waterspuiten met plaspop Mia, die over een plastic slokdarm bleek te beschikken bij het afschroeven van haar hoofdje: ‘God geeft over!’

Later vormden ook verliefdheden-op-afstand een bron van onbedwingbare lachstuipen. Met de zijne liep Broertje nooit te koop. Als jochie had hij nog weleens warme gevoelens voor meisjes met vlechten in films en boeken. Ontvoerd door booswichten, vastgebonden aan palen.

Mij pestte hij met de radiodiscjockeys die ik hartstochtelijk aanbad. ‘Padde’, was volgens Broertje de echte naam van zo’n idool. ‘Als baby had hij al een kunstgebit.’ Gevolgd door een act die de aanbedene moest voorstellen. Rochelend en strompelend. Broer kon onweerstaanbaar grappig zijn. Waarom schiet mij dan geen enkele grap te binnen, die mij krachteloos van de lach in mijn stoel deed hangen? Frustratie, schuldgevoel… Maakte het zo weinig indruk? Ze moeten er geweest zijn, die grappen. Wat mij vooral is bijgebleven: de gekke typetjes die hij neerzette. Een zeurderig mannetje. Een zalvende priester. Een autoritaire leraar. Maar ook de stripachtige kreten die hij toevoegde aan de taal binnen ons gezin. Nog steeds gebruik ik ‘brul’ als bijvoeglijk naamwoord voor heftig gekruid eten. Ontleend aan Broers reactie op een tong verschroeiend Indisch gerecht tijdens een etentje. ‘Brul’, zoals hij droogjes opmerkte. Fraaie synoniemen verzon hij ook. Voorover op straat vallen: je tanden raspen. Tandenpoetsen: je bek ragen. Ik bezig ze nog dagelijks.

We lachten om de poppen, maar we gaven ze ook liefde. Broer was toen hij drie was al een autofreak, met zo’n 100 dinky toys, waarvan hij alle merken uit zijn hoofd kende, maar voor mijn babypop Goudelsje schoof hij ze opzij. Bij vlagen. Dan sjouwde hij de godganse dag met ‘Gat-elsje’ rond. Knarsetandend zag ik het aan. Hoe ik ook schold, zeurde en tierde, ik kwam er niet aan te pas.

Zijn dochter M. was zijn leven. Vanaf haar geboorte was zij zijn achtste wereldwonder. Als het over onze kinderen ging, was vooral Broer aan het woord. Over zijn M.’s hoogbegaafdheid, haar wiskundegraad, haar naderende promotie. Naar onze kinderen vroeg hij niet.

‘C. gaat met haar vriend samenwonen’, vertelde ik. ‘Op een dorp in Voorne Putten. Best ingrijpend voor zo’n stadskind.’ Broer schrok op uit zijn eigen gepeins: ‘Oh ja, C.… ze studeert letterkunde, toch?’ C. was toen al jaren geleden afgestudeerd en werkzaam als dagbladjournalist.

Voor Gat-Elsje had hij destijds meer belangstelling.

Broertje was overal het zonnige middelpunt. Vrolijk, nieuwsgierig, spontaan. Met iedereen werd hij vrienden. Als autogek knoopte hij diepgaande gesprekken aan met mannen die aan hun auto’s sleutelde en hem soms mee lieten rijden. ‘Dat is mijn vriend van het zwarte Opeltje’, wees hij, ‘en hier is mijn vriend van de groene Peugeot.’ Moeder vond het maar niks, met alle krantenberichten over verdwenen, gewurgde en later levenloos is sloten gevonden jongetjes.

Broertje sloot iedereen in zijn hart. In winkels, op straat, overal kenden ze hem als dat vrolijke roodwangige witgekuifde kletsmeiertje. ‘Weet u hoe oud mijn moeder is?’ vroeg hij aan de schilders die de gang een opfrisbeurt gaven. Dat wilden de mannen wel weten: 34!’

Lieveling van alle juffen op school ‘Op hem hoef ik nooit te letten’, zei de ijzig strenge Bolletje, door velen gevreesd. Een andere juf vond het indrukwekkend hoe Broertje het boek ‘Abeltje’ van Annie M.G. Schmidt uit zijn hoofd kon voordragen. Met afstand de knapste van de klas. En dat bleef hij. Het vlaggenschip van de familie. Zette die rol hem onder druk? Op het gymnasium voerde hij tot diep in de nacht strijd met zijn huiswerk. Een strijd die hij zichzelf oplegde. Zijn kamer verliet hij na schooltijd alleen voor maaltijden en toiletbezoek. Door de muur van mijn kamer dreunden de Latijnse vervoegingen, die hij eindeloos herhaalde voor de repetities waarvoor hij van zichzelf tienen moest halen, wat hem nog lukte ook. Hij dreigde aan stress en zwartgalligheid ten onder te gaan. De ruzies tussen vader en mij hielpen ook niet echt mee. ‘Mislukte drilpudding’, noemde vader mij, als ik de eerste lesuren weer eens verzuimd had, of tijdens het avondeten provocerend zat te klieren. ‘De gek is weer los’, was zijn reactie op mijn -inderdaad irritante- scheldpartijen op het eten, de tv-programmakeus van die avond, huiswerk dat ik weigerde te doen. ‘Luister niet naar de gek, het is gedruis op de achtergrond.’ ‘Klootzak!’ loeide ik. Als een Hulk avant la lettre stormde Vader dan op me af. Verwrongen kop, stoom uit neusgaten. ‘Pas op hoor, ik trap je impotent!’ riep ik. De Hulk was niet meer te houden. Regelmatig gingen wij op deze wijze op de vuist. Zusje vluchtte naar de keuken, waar Oma zingend de afwas deed, Broer vluchtte in zijn Latijnse rijtjes. Alles draaide om mij, ‘de gek’, de ‘drilpudding’. ‘Ik doe er niet toe’. Dat moet Broer vaak gedacht hebben. De leerling waar de juf niet op hoefde te letten.

Doe ik vader recht door hem voornamelijk te beschrijven als overstresste werkverslaafde Hulk? Nee. Onze verhouding was gecompliceerd. Hij kon mij ‘drilpudding’ noemen en de volgende dag ‘poes’. De ene dag kreeg ik een watjekouw, de andere dag een onwennige aai door mijn haar, waarmee ik mij minder raad wist dan met zo’n dreun. Houterige knuffels, over en weer. We scholden, maar voerden ook lange gesprekken. Vaak over abstracte zaken. Actuele onderwerpen, literatuur. Allebei vonden we het moeilijk om vertrouwelijk en persoonlijk te worden. Als peuter zat ik bij hem op schoot, terwijl hij voorlas uit Doctor Doolittle. Toen ik 15 was, nam hij me mee naar Amsterdam. Samen geheimzinnige steegjes kijken. Waren we allebei door gefascineerd. Daar maakte hij dan toch tijd voor. Belangrijke momenten, speciaal voor mij. Niet voor Broertje, mijn rivaal, met wie ik ineens van alles moest delen. Die mij verdreef uit mijn knusse kinderledikantje met kaboutertjes erop, naar een grote-mensen-bed waarin ik nachtmerries kreeg.

Fragmenten uit het dagboek dat ik als 11-jarige bijhield.

DUIVENVOEREN OP TRAFALGAR SQUARE

‘…Ik gooide een paar zaadjes op de grond en de duif pikte ervan en zo lokte ik hem naar me toe. Hij pikte uit mijn hand.

‘Ja!’ riep ik, ‘Hij doet het!’

J. keek jaloers. Hij deed het ook helemaal verkeerd volgens mij, want hij had zijn hand te dicht. Ik prevelde hem de hele constructie voor, maar het baatte niets.

…’Bij mij hebben ze hetgeen een keer gedaan’, zei J. half huilend. Hij bleef jengelen en ruzie maken.

IN EEN CAFÉ.

‘…J. mopperde dat hij ook citroensap wou hebben. Hij was boos op Vader en Moeder en toen zei ik: ‘Zullen we ruilen?’

‘Dat is lief van je’, zei Moeder…’

‘’…J. dronk een poosje en toen begon hij weer te zeuren.’I. is braaf en J. is lastig’, zeiden Vader en Moeder…’

Ik weet nog hoe ik gloeide van eigenroem. Meestal waren de rollen immers omgedraaid? Broer, met zijn prachtige rapporten en zijn makkelijke, sociale karakter. Dikke mik met buurtgenoten, middenstanders, klusjesmannen. Zoals een melkboer het tegen mijn moeder verwoordde: ‘Dat jongetje van u is zo’n gezellig mannetje. Altijd kletsen! Maar dat meisje zegt nooit niks.’ Dat meisje was ik.

Broer, de allemansvriend, het knapste jongetje van de klas, het vlaggenschip van de familie. Ik was de lastpak. De gek, zoals mijn vader mij soms in wanhoop noemde, na de zoveelste door mij veroorzaakte ruzie, die hem hinderde bij de uitvoering van al het notariële overwerk dat hij naar huis bracht, en waarbij eigenlijk serene stilte van ons werd verwacht.

Broer moet een held zijn geweest. Als chirurg in het ziekenhuis en aan het oorlogsfront redde hij vele mensenlevens. Briljant noemde iedereen hem. Aan zijn chirurg-zijn ontleende hij zijn identiteit. Nog jaren nadat hij door posttraumatisch stresssyndroom werd afgekeurd, bracht hij zijn beroep als chirurg naar voren. Te pas en te onpas. ‘Ik ben chirurg’, zei hij tegen iedereen die zijn pad kruiste. Tegen familie, vrienden, dienstverleners. Tegen ziekenhuispersoneel, op ziekenbezoek bij familieleden. ‘Waar ik werk, pakken we dat heel anders aan.’ Hij moest zich manifesteren.

Het was zijn eer te na medische hulp voor zichzelf te zoeken. Hij was immers zelf arts?

Toen hij zijn vak niet meer kon en mocht uitoefenen, raakte hij in de versukkeling.

Drinken deed hij al langer. Toen moeder op sterven lag, logeerden wij om beurten bij haar. Onder het logeerbed vond ik regelmatig lege wijnflessen. Likeurflesjes, die mijn moeder ooit in desserts verwerkte. Mierzoete kledder. Als er maar alcohol in zat. Zijn PTSS begon hem op te breken. Libanon, Bosnië, Cambodja. Beschietingen, gijzelingen, slachtpartijen. Depressies, die hij te lijf ging met nog meer drank. Afkickpogingen in klinieken. Na een maand dronk hij weer meer dan ooit. Maar het waren niet alleen die oorlogen.

Vakantie in Cadzand. We logeerden Air bnb avant la lettre, bij een familie, met wie we de keuken moesten delen en naar buiten moesten voor toiletbezoek. Voor ‘s nachts stonden er pispotten onder onze bedden. De vrouw des huizes, een bazige kenau, bood aan Broertje bij zoon Piet van 14 te laten slapen. Maar Broertje koos ervoor de slaapkamer met mij te delen, waar wij tot diep in de nacht krijsende pret hadden. Onder andere met de lege pispotten, die wij showden als hoofddeksels. Broertje was 5, ik 9. Achterin de tuin waren varkens, die wij regelmatig bezochten.

‘Piet heeft mij verkracht’, beweerde Broer decennia later, afgekeurd als chirurg, worstelend met drankzucht. ‘Met een vriend, achter het varkenshok. Urenlang bleef ik weg, maar niemand miste mij. Toen ik huilend binnenkwam, zei Moeder dat ik me niet moest aanstellen.’ Vooral dat laatste zou zijn leven hebben verwoest. Samen met de huiselijke ruzies met mij als knetterend middelpunt. Meer nog dan zijn oorlogservaringen als militair arts.

Wat was de waarheid? Broertje speelde wel vaker achter het vakantiehuis, maar was nooit uren zoek. En Moeder, die ging al over de rooie als we langer dan 10 minuten aan haar gezichtsveld waren onttrokken. Het verhaal past niet bij onze moeder, zeker niet in het liefdevolle beeld dat Broer bij haar dood van haar schetste. De verpersoonlijking van liefde, warmte en geborgenheid.

Hadden die jongens hem werkelijk verkracht? Of wilden zij macht uitoefenen over dat kleine, stadse badgastje, dat hun territoir bedreigde? Intimidatie, mede ingegeven door puberale experimenteerdrift?

Onvermoeibaar speelde en stoeide Broer met kleine Zus. Hij las haar voor. Als het paard Hans Bob galoppeerde hij door de duinen, Zusje op zijn rug. Hij maakte haar aan het lachen door typetjes uit te beelden met gekke stemmetjes. Haar plaatsvervangende vader, in tijden dat haar echte vader 24/7 met zijn notariskantoor in de weer was. Zij aanbad Broer. Hij was haar veilige haven.

FRAGMENT UIT MIJN DAGBOEK, 1964

‘…Toen we van de Savannah kwamen, erg leuk en groots en bezienswaardig, wilden we dit bewuste wereldschokkende vaartuig eens van de andere kant bekijken. We moesten daarvoor door de Maastunnel…’

IK KWAM IN DE PROBLEMEN OP DE ROLTRAP NAAR DE FIETSTUNNEL, OMDAT IK BANG WAS DAT IK MIJN FIETS NIET ZOU KUNNEN HOUDEN, EN AARZELDE.

‘…Schiet op, zus’, werd er achter me geroepen, en een bemoeial, een draak van een vent, begon me ook al aan te blaffen. Tenslotte duwde een bandiet van een agent me op de roltrap. Ik had een doodsmak kunnen maken. Ik begon te gillen natuurlijk. Toen werd ik eruit gegooid. Eruit gegooid! Stel je voor! Zoiets had ik nog nooit meegemaakt! Het zag me groen en geel voor de ogen. Ik begon te krijsen! Ik werd hysterisch. Ik kreeg een zenuwtoeval à la de heldin van een roman. Ik kreeg veel bekijks. Toen zei een oudere agent dat ik naar huis moest gaan.’

‘…Ik fietste naar huis, verwensingen uitbrullend aan die apenpakken in de Maastunnel. En aan dat leeghoofdige wijf, dat zei dat ik een draai om mijn oren verdiende. Toen wij vlakbij huis waren, schrok ik, een blauwe overvalwagen vervolgde ons. Ik raakte in paniek en maakte ineens erge haast om binnen te komen. Ik koesterde nog een illusie dat het misschien niet voor ons was bedoeld…

Het was wel voor ons bedoeld. Een smeris belde aan. J. deed open. Hij deed het woord. Wie zou op dat ogenblik naar mij geluisterd hebben? Ik gilde zo hard als mijn thans schor geluid het toeliet ‘Vader! Moeder! Wanneer komen jullie nou thuis?’

Het was vreselijk. De politie zei dat ze nog een keer zouden bellen, maar dat hebben ze niet gedaan. Toch krijgt J. voor mij de hoogste dagboekonderscheiding: een vlag. Hier is hij. Hoera! Leve J.!

Schatplichtig aan Cissy van Marxveldt, qua stijl, qua vlag. Zo deed haar personage Joop ter Heul dit in haar dagboek. Als ik dit teruglees, word ik opnieuw kwaad op die smerissen. Was dat een manier van omgaan met een bang pubermeisje? Hadden ze die fiets niet rustig van me kunnen overnemen? Tijd zat. Achter mij aanrijden en aanbellen kostte meer tijd. Maar oei, dat gekrijs van mij… Arme Broer. Hij moest de kastanjes voor me uit het vuur halen. Geen wonder dat hij zich weleens ondergesneeuwd voelde.

De komst van hond Joppie trok hem uit het moeras van ruzies, wiskundevraagstukken en Latijnse rijtjes. Een hond, Broers jarenlang gekoesterde hartenwens. Op een dondermiddag bezochten Moeder, Broer en Zus het asiel. ‘Ter oriëntatie’, heette het. Ze kwamen thuis met Joppie. Aandoenlijke, onstuimige zwart-witte Joppie met zijn fluwelen flaporen, gouden vlekjes boven kastanje-ogen. Broer deed weer mee. Ineens was school niet meer uitsluitend een instituut om zich met tienen te bewijzen. Na de Rome-werkweek was hij omringd door vrienden, met wie hij tot diep in de nacht feestvierde. Hij moest kiezen tussen twee meiden die verkering met hem wilden. Als zijn vrienden bij ons thuis kwamen, was Broer uren in de weer met poetsen en stofzuigen. De Margriet verdween onder de door hem aangeschafte Frankfurter Allgemeine. Moeder en Zusje mochten niet voor de deur touwtjespringen. Schijn ophouden. Het begon toen al.

‘Jij wilt een stuk begeleiding? Nou, dat kan je krijgen.!’ Snuivend en briesend drong vader mij in een hoek.Ik had de hulk weer eens kwaad gemaakt. Dit keer ging de ruzie over mijn baby, die ik onder ouderlijke druk had laten weghalen. Ongelukkig in de liefde was ik. Mislukt in verschillende studies, bedoeld als alternatief voor de toentertijd voor mij onbereikbare journalistieke opleiding. Abonnement op afwijsbrieven. Vier keer gezakt voor mijn rijbewijs. Dan maar moeder worden. Een kindje, helemaal van mij, dat ik kon koesteren en liefhebben. Glorieus zou ik achter de kinderwagen lopen, alom gerespecteerd. Het moederschap, daar kon ik wél in slagen. Willens en wetens liet ik mij bezwangeren door een labiele, criminele huisgenoot in een Utrechts studentenhuis.

‘Als je doorzet, hoef je niet meer thuis te komen.’

Explosieve ruzies, tot diep in de nacht. Na mijn immense verlies ging het over het beloofde ‘stuk begeleiding’, door hulpverleners met klem aan mijn ouders geadviseerd. De worst die zij voorhielden: ik kon altijd bij hen terecht met mijn verdriet. Niet dus. Ik moest nu maar eens ophouden met zeuren. Op de achtergrond van dit slagveld bereidde Broer zijn eindexamen voor. Zonder ooit te klagen. Het lukte hem. Achten en negens op zijn eindlijst. Maar ja, die 4 voor Grieks… Opgavenvel te te vroeg ingeleverd, niet gezien dat er op de andere zijde ook nog opgaven stonden… Het kostte hem zijn automatische plaatsing voor de studie Geneeskunde. Net een halve punt te kort voor het vereiste gemiddelde eindexamencijfer: 7,5. Was hij minder scherp door al die nachtelijke herrie? Maar de feestjes met zijn nieuwe schoolvrienden duurden ook tot diep in de nacht.

‘Waarom ga je niet in Leuven studeren? Daar hebben ze nog geen studentenstop.’

‘Bemoei je er niet mee! Het komt allemaal door die rot-abortus van jou!’

Leuven? Geen optie voor Vader, Moeder, Broer. Een bul, gehaald in een land van onnozele patatvreters was toch geen fluit waard?

Het idee van Oom, die warme herinneringen bewaarde aan zijn militaire diensttijd, om Broer via Defensie voor militair arts te laten studeren, werd wel omarmd. Broer hoefde dan niet te loten en werd versneld opgeleid tot Officier van Gezondheid. Broer had nooit iets met het leger gehad, maar wat dan nog? Hij schreef een sollicitatiebrief en was in no time Officier van Gezondheid.

Twee kinderen in een kuil. Hun moeder verderop, met kogels doorzeefd. Evenals haar kinderen, die om haar huilen. Kinderen, zoals zijn eigen kleintjes, die hij thuis achterliet. Alles geeft broer om hem te redde. Al zijn kracht zet hij in om ze uit de kuil te krijgen. Maar het is te laat.

Ik was vijf. Heftig verkouden was ik, op een zomerse zondag dat Vader en Moeder met ons naar Kethel fietsten. Spannend, op het pontje, lekker over het water. Later bloemetjes plukken in de wei. Achterop bij Vader hoestte ik mijn longen uit mijn lijf. Eindeloos, nimmer aflatend.

. ‘Gaat wel weer over, hoor Inus’, klonk een stemmetje vanaf het stoeltje op Moeders fiets. De woorden van mijn kleine broertje brachten mij tot rust. Sindsdien hielpen zij mij door zwaar weer, voor de rest van mijn leven. Bij stress en tegenslag hoor ik Broertjes montere stemmetje vanaf dat fietszitje.

Ik was 21. Met Moeder en Broer in een ziekenhuiskamertje, dodencel van mijn baby.

Geen ontkomen meer aan. Lief kleintje, jij gaat sterven en ik ben te slap om dat tegen te houden. Over een kwartier verdwijn jij in de afvalcontainer. Ik mag je niet eens meenemen in een potje op sterk water.

Er wordt gerommeld aan mijn bed. Een injectie maakt mijn mond kurkdroog. ‘Premedicatie’, zeggen ze. Of is het de angst voor wat komen gaat? Het duistere, onzegbare niets, waaruit ik terug zal keren en jij nooit meer?Help, ik wil dit niet! Machteloos. Opgesloten in mijn lichaam.

Naast mij de stem van Broer, schor van ingehouden woede op de ex, die er vandoor was gegaan met mijn transistorradio en een groot deel van mijn boeken. ‘Als ik die klootzak in mijn vingers krijg, breek ik hem zijn poten!’ Lieve Broer. Op de juiste momenten ben je er voor mij. Gaat wel weer over, hoor Inus…

Ik was 27. Broer en ik woonden boven elkaar en mijn vermeende Grote Liefde had mij afgebekt in een café, nadat ik hem had gesmeekt om een woordenwisseling, eerder die week, uit te praten. Brandende vraag: klopt het dat Grote Liefde mij een gestoord wijf vond? Ik meende zoiets te hebben opgevangen. Toen ik het bij Grote Liefde wilde checken, ontstak hij in toorn. Dat moest ik ongedaan maken! Ik had hier beelden bij, ontleend aan meisjesromans, alweer à la Cissy van Marxveldt. Daarin losten de personages vergelijkbare misverstanden op met briefteksten zoals ‘Lieveling, vergeef me mijn dwaze vergissing’. Anno 1978 meende ik zoiets telefonisch te kunnen doen, maar ik was natuurlijk gewoon aan het stalken. De liefde was nu eenmaal niet wederkerig. Grote Liefde uitte zijn ergernis door mij herhaaldelijk op zijn Rotterdams toe te voegen dat ik ‘gewoon mijn muil moest houden’.

Mijn leven lag in puin. Doorwaakte nachten, die ik sherry zuipend en likkoekjes vretend doorbracht. In een schriftje krabbelde ik ingevingen om de oorzaak van deze clash te analyseren: ‘Hij gaf mij een sigaret, een overtollige boterham, een boekje dat hij niet hoefde. Herhaalde ooit 6 keer dat ik lief ben. Zei zelfs dat hij een keertje met me naar bed wilde. Waarom haat hij mij dan nu?’

Dit alles legde ik ook aan Broer voor. Hij liet mij leeglopen, luisterde de hele avond, troostte met kort door de bocht grappen. Gaat wel weer over, hoor Inus…

Een sidderend hoopje verdriet stort de huiskamer binnen. ‘Jongen, wat is er?’ ‘Ik… heb…een droevig verhaal gelezen…’ Regelmatig moest Broertje worden opgevangen na het lezen van de smartelijke lotgevallen van dierlijke hoofdpersonen uit Thor de Beer, Timur de Tijger, Raja de Olifant, of De Kleine Zwerver.

Hij verslond boeken over dieren, fictie en non-fictie. Alles met vier poten en een staart kon rekenen op Broers onvoorwaardelijke liefde.

De dood van Nera, zijn dierbare labrador was de genadeslag. Verknocht was hij aan die lieve ouwe dibbes met haar melancholieke zwarte snuit. Zijn drankzucht isoleerde hem van zijn gezin. Teruggetrokken en peilloos somber leefde hij zijn laatste jaren in een aparte vleugel van zijn kapitale villa. Van alles zag jij de donkere kant. ‘Paint it, black’ van de Stones was zijn favoriete nummer.

Maar Nera was altijd bij hem. Nera verliet hem nooit. Teruggekomen van een boswandeling viel zij plotseling dood neer. De leegte die Nera achterliet, maakte Broer nog triester.

Hoe stierf hij eigenlijk zelf? Dat bleef lang onduidelijk. Na zijn begrafenis deden hierover in de familie de wildste geruchten de ronde. Broer zou die zondag in elkaar zijn gezakt en door echtgenote L. en vriend/annex overbuurman P. (ook arts) bewusteloos in bed zijn gelegd. Een ingeseinde arts zou vervoer naar spoedeisende hulp overbodig hebben geacht, en geadviseerd om rustig de nacht af te wachten. Wou die arts hem dood hebben? Wie was die incompetente prutser?

Het ging heel anders, verzekerde P. mij. Nadat Broer in elkaar was gezakt (een beroerte of longembolie werd vermoed) en weer bijgekomen, zond hij zelf de dienstdoende artsen heen. Naar het ziekenhuis? Hij? Waren ze van de pot gerukt? ‘Ik weet heus wel of ik wel of niet naar het ziekenhuis moet, ik ben zelf arts!’ De volgende ochtend vond L. hem in zijn slaapkamer, zittend tegen de muur. Dood. Wat als ze hem toch naar het ziekenhuis hadden mogen brengen? Had hij dan nog geleefd? Verdedigde hij zijn beroepseer tot de laatste snik? Tot de dood erop volgde?

Als een nachtkaars ging hij uit. Gesloopt, gevallen op het slagveld. Met terugwerkende kracht.

Laat een reactie achter.

Inloggen is niet nodig. Klik in het tekstveld en kies een naam om als gast te reageren.
blog comments powered by Disqus

Ineke's tweets