PublicatiesContactBlog
Westbroek
Journalistieke Producties
Persoonlijk
Sport
Actueel
Cultuur
Culinair
Augustus, 2011
Blog
RSS
Ciao
2011/08/28 17:15:47

Arrivederci Pirandello?

‘Pizza Visviliana’.

‘Pizza Sofia Lorre’

‘Pizza Magerella’.

En die moeten naar de ‘Rogussenstraat’ 171 Vrederik.

Zomaar een bonnetje van Ciao Pirandello aan de Nieuwe Binnenweg. Weinig klopte er, de laatste jaren, bij dit Italiaanse restaurant, hoek Binnenweg/Mathenesserlaan. Italiaans? De taalbeheersing van de gemiddelde medewerker gaf ernstige twijfels. Maar de keuken was onmiskenbaar Italiaans en de pizza’s meestal weergaloos lekker. Delicaat gekruid, de bodem verfijnd knapperig dun, precies zoals een pizza moet wezen. De pizza’s van Ciao Pirandello waren alle chaos en ongemakken dubbel en dwars waard. De manisch drukke baas, die je bij het afhalen van je bestelling steevast opgewonden handenschuddend tegemoet kwam en luidruchtig joviaal informeerde naar je welstand en die van je partner, die thuis alvast de tafel dekte. Bij het uitgeleide doen gaf hij de groeten mee. En vaak de verkeerde pizza. Maar het smullen vergoedde veel.

 Afhalen bij Ciao Pirandello was aangenamer dan daar de maaltijd gebruiken. Met het verstrijken der jaren verviel het etablissement meer en meer tot een treurige spelonk. Vaak rook je het riool, wat niet direct de eetlust stimuleerde. Een vriendin had er ooit kakkerlakken en muizen zien springen. Dergelijke onregelmatigheden hebben mijn echtgenoot en ik gelukkig nooit waargenomen, maar een verbouwing kon, op zijn zachtst gezegd, geen kwaad.

Onze verwachtingen waren dan ook hooggespannen toen de hyperactieve baas dit voorjaar aankondigde dat zijn tent op de schop ging. Hij zou een paar weken dicht gaan, maar dan zou het prachtig, prachtig worden!

Een paar weken werd een dikke maand, maar het resultaat mag er zijn. Een fraai gestileerd, eigentijds restaurant dat licht en ruimte ademt.

We verheugden ons dan ook op de vernieuwde kennismaking met de pizza’s. Maar dat viel tegen. Allereerst de prijs. Hoezo 18 euro voor twee afhaalpizza’s? Vóór de verbouwing deed de gemiddelde afhaalpizza  bij Ciao Pirandello € 7,50. Vermoedelijk om uit de verbouwingskosten te komen, meende men de prijs voor afhaalpizza’s fors te moeten opdrijven.

 ‘Maar dan heb je ook wat’, troostten wij ons, toen wij het mes zetten in onze Pizza Napolitana. Voorbarig, zo bleek. Want de bodem was dik, week en sponzig en de ingrediënten waren niet onsmakelijk, maar misten hun vroegere betovering. Bij Albert Heijn scoor je zo’n pizza voor € 3,50.

 Verbouwd of niet, als dit zo blijft, wordt het voor ons ‘arrivederci Pirandello’.

 

Klabakkenparanoia
2011/08/28 17:13:42

Klabakkenparanoia  

Net als ik wil wegrijden, zie ik hem aankomen. Zo’n wit wagentje met blauwe en oogbezerend oranje strepen. De Hermandad. Niet echt mijn beste kameraad. Net zo lang morrel ik aan de autoradio, pulk ik kauwgum uit een pakje, check ik of mijn BlackBerry wel uitstaat, tot de ‘kameraad ’is vervaagd tot een blauworanje stip aan de horizon. Als ik opgelucht gas geef, gaan mijn gedachten naar een najaarsochtend, begin jaren 90. Kort geleden had ik mijn rijbewijs in de wacht gesleept, na een jarenlange bittere strijd. Een rijtalent ben ik niet, maar wat ik tekortkom aan gewiekstheid en lef, compenseer ik met ultiem veilig, kind-gehandicapte-bejaarde- fiets- en dier-vriendelijk rijgedrag. Zo ook op deze morgen. Met minutieuze precisie manoeuvreer ik onze vierkante Lada, beladen met kilo’s overrijp marktfruit door de verkeerschaos rond het Grote Visserijplein. Altruïstisch gun ik een zwoegende, bepakte en bezakte fietser ruim baan. Met een joyeus gebaar laat ik een moeder met buggy oversteken. Met engelengeduld rijd ik achter een invalidenvoertuig, dat ik vanwege tegenliggers niet kan passeren. Voor de politiewagen die in mijn achteruitkijkspiegel opdoemt, ben ik niet bang. Ik rijd immers volgens het boekje? Maar het is de klabakken wel degelijk om mij te doen. Ze willen mijn rijbewijs en autopapieren zien. ‘U rijdt zo raar’, verklaart één van hen, met net zo’n luide raspstem als de toenmalige Sparta-keeper Edward Metgod, ‘u bent voortdurend aan het stoppen en aan het optrekken.’

 Bevend diep ik het zo moeizaam verworven document op. Dat wordt lopen, met al die tassen vol appels en peren. Lopen, voor nu en altijd. ‘Ik wil me alleen aan de verkeersregels houden’, piep ik. ‘Maar rijd dan wel een beetje met het verkeer mee!’ adviseert Metgod, terwijl hij mijn rijbewijs overhandigt. Thuisgekomen zoek ik snikkend troost in de zachte vacht van cavia Saartje.

Sinds die dag heeft de angst om van de weg te worden geplukt mij nooit meer verlaten.

Vijftien jaar lang gaat het goed. Geen confrontaties met klabakken. Soms duiken zij tot mijn vlammende schrik naast mij op, maar altijd vinden zij boeven zowaar interessanter. Maar mijn vrees dooft niet. Ik lees kafkaëske verhalen over rijonderzoeken. Mechaniek hapert, auto wordt onbestuurbaar, agent schiet te hulp, dagvaarding voor rijonderzoek volgt. Het overkwam een vrouw uit Zoetermeer.

En dan is daar die wintermiddag in 2005. Zonder sirene, zonder zwaailicht boldert een politiewagen over het trottoir, ter hoogte van de Koninginnebrug. Mijn ergernis wint het van mijn klabakkenparanoia, als ik, een fractie eerder dan de politiewagen, het stoplicht nader. Zonder andere weggebruikers te hinderen, plant ik mijn Golf voor de stopstreep. De politiewagen bonkt van het trottoir en voegt zich achter mij. Even later: rode lichtletters in mijn achteruitkijkspiegel. Weer moet ik mijn rijbewijs tonen. Hoezo? ‘Mijn politie-instinct zegt mij dat u dat misschien niet heeft’, verklaart een boerse agent. Wederom wint ergernis het van angst als de boer ter plekke een aantoonbaar onwaar verhaal verzint over een bus waar ik te lang achter zou hebben gereden. ‘Ik houd me altijd strikt aan de verkeersregels’, houd ik hem op scherpe toon voor. ‘Dat is mooi’, vindt hij,terwijl hij mijn rijbewijs aanreikt, ‘verder nog een prettige dag!’

Dat laatste gaat niet meer lukken.

En sindsdien verlaat mij nimmer meer de obsessie dat de politie mij ooit van de weg zal halen. Waarom? Gewoon, omdat ik het ben. Dronkaards, bumperklevers, scheurders, rechtspasserders, allemaal komen ze weg met geldboetes. Hun rijbewijs mogen ze houden. Maar mij zullen ze ooit te grazen nemen met mijn zorgvuldige, voorkomende, goedzakkige rijstijl. Dat soort types willen ze niet op de weg. En ze ruiken het, wanneer zij mij in hun verloren uurtjes in het vizier krijgen. Een goedsul! Die zal ervan lusten!

Het Heemraadsplein oogt grimmig op die fraaie aprilmiddag in 2011. Een vloot wit-oranje-blauwe auto’s staat paraat. In witte hokjes houden politieagenten de wacht. Zij dragen lichtgevende hesjes, ondanks de stralende voorjaarszon. Het Heemraadspark is afgezet met roodwitte linten en pylonen. Waar gaat dit over? Drugs? Wapens? Een lichtgevende motoragent maant mij tot stoppen.

Voor wat hoort wat
2011/08/28 17:12:32


Voor wat hoort wat

Het was druk in de sociëteitsruimte van studentenvereniging SSR. Het wekelijkse avondcollege van mijn verkeerde gekozen studie zat er weer op en ik was toe aan vertier en (liefst mannelijk) gezelschap. Nou, daarop was alle kans op die donderdagavond in het najaar van 1972. Een keur aan indrukwekkende besnorde adonissen met weelderig golvende manen hieven het glas en gaven elkaar de hasjpijp door. Zou ik er eentje durven aanspreken? Mijn liefdesleven stelde in die tijd niet veel voor. Na een ruige vakantieperiode in Torquay, waar ik behoorlijk de beest uit had gehangen met een bonte verzameling ruige Britten, was ik in mijn studiestad Utrecht op zoek naar een lieve, tedere vrijer. Maar hoe lagen mijn kansen? Hoe stond mij het apenhaar dat ik mij sinds kort had laten aanmeten? Dé trend in die tijd. In laagjes geknipt en lang in de nek, als een soort matje. Waarom het apenhaar heette, was mij niet duidelijk, want ik had nog nooit een aap gezien met zulk soort haar. En stond het mij eigenlijk wel? In ieder geval maakte mijn geborduurde, wijdmouwige India-shirtje veel goed, zag ik door de spiegelende ruit.

Strategisch stelde ik mij op naast een rijzige jongeling met schouderlang bruin haar en een ringbaardje. Wat zou ik eens tegen hem zeggen?

Binnen traden een jongen en een meisje, die aan een hondenriem twee cyperse katten met zich meevoerden. Ik knielde neer en aaide de dieren. De jongen naast mij deed hetzelfde en sprak zijn afkeuring uit over de hondenriem.

‘De nek van een kat’, doceerde hij, ‘ is daar te kwetsbaar voor.’

Ik knikte eerbiedig. Hij bleek voor dierenarts te studeren.

‘Wil je wat drinken?’

Aha, dit rook naar verkering.

Een aanminnige conversatie volgde. Helaas moest ik rond elf uur weg, anders zou ik de laatste bus naar mijn studentenkamertje missen.

‘Ik breng je wel thuis op mijn bromsel’, bood de aanstaande dierenarts aan.

Hm, een brommer, viel me en beetje tegen. Een brommer, banaal, beetje ordi…  Best wel een voertuig voor ‘square zulthoofden’. Waarom geen eend? Of, desnoods, gewoon een fiets? Bovendien vond ik het eng, achterop een brommer. Maar dat zei ik allemaal niet. En, kom op, het was maar een klein eindje. En ach, het had wel iets, mijn armen geklemd om zijn gespierde lijf.

Hij wilde wel zien waar ik woonde en ging mee naar binnen.

‘Bedankt voor de lift’, zei ik beleefd.

Op rotanstoeltjes zaten we tegenover elkaar, ietwat onwennig.

‘Heb je een kopje koffie?’

Natuurlijk, koffie! Dat had die jongen wel verdiend, door mij zo ridderlijk naar mijn huisadres te vervoeren. En zelf woonde hij in een dorp aan de rand van Utrecht, had hij verteld. Nog een duivels end te gaan dus. Ik voelde me warempel schuldig…En bovendien, met het oog op mogelijke verkering, wilde ik mij profileren als een lief, zorgzaam vrouwtje.

Dus ging ik ijverig met keteltje en Nescafé in de weer.

‘Hier, een lekkere bak troost!’ Met een breed, joviaal gebaar plempte ik de klotsende mok op het tafeltje. ‘ Hier staat de suiker, daar de melk. Koekje d’r bij?  Ja, ja, voor wat hoort wat!’ snaterde ik vrolijk verder.

En toen viel die ijzige stilte. Kreeg ik die diep gekwetste blik. Maar waarom? Was er wat mis met de koffie? Wat viel er nou te verpesten aan een bak Nes?

‘Wat valt me dát van je tegen, dat je zó over me denkt’, barstte de jongen verontwaardigd los.

Bruusk stond hij op, even later hoorde ik dreunend de voordeur dichtvallen.

Kwam het door dat ‘voor wat hoort wat?’ Maar dat zei je toch als je iemand wilde belonen met een attentie voor bewezen diensten? Een bos bloemen, of, in dit geval, een bak koffie?

Pas veel later kwam ik achter de werkelijke lading van de uitdrukking ‘voor wat hoort wat’.

Ach, met al die beesten in mijn latere leven was het  wel makkelijk geweest, een dierenarts als echtgenoot.

Maar ik ben heel blij met de man die ik uiteindelijk kreeg. Dus is het goed dat het zo gelopen is.

Eksit
2011/08/28 17:11:42


Herinneringen aan Eksit

Eindeloos worden voortgestuwd in een golvende peristaltiek, door een nauwe opening: de poort van het Walhalla. Daar ging Het Grote Gebeuren plaatsvinden. Een popconcert in Eksit bijwonen betekende dat je eerst je eigen geboorteproces opnieuw moest doormaken. De Raadplaat uit de Rotterdam-editie van het Algemeen Dagblad van 8 januari 2011 roept herinneringen wakker aan massaal bezochte optredens van wereldvermaarde punk annex New Wave-bands in het roemruchte Eksit aan de Eendrachtsstraat. Eksit was een begrip. Officieel was het een open jongerencentrum, ontstaan in het hippietijdperk, dat eind jaren 70 uitgroeide tot place-to-be voor een nieuwe generatie popmuzikanten- en liefhebbers, die magisch werden aangetrokken door fameuze acts zoals The Sex Pistols, The Stranglers, The Heartbreakers, The Damned en The Clash. De meute op de Raadplaat, die zich voor de deur heeft verzameld, staat ongetwijfeld te wachten op één van de bands op de Raadfoto. Ik houd het op The Sex Pistols, december 1977. Zelf woonde ik ook hun optreden bij. Ik stond echter niet tussen de wachtenden, omdat ik mij ruim voor de aanvang van het concert al in het gebouw bevond. Deze bevoorrechte positie dankte ik aan mijn vrijwilligerswerk voor de redactie van de Eksitkrant, die juist op die dag in het pand vergaderde. Nog voordat de deuren opengingen, hadden wij het veestempeltje op de hand al te pakken, dat in Eksit als entreebewijs gold.

Niet altijd was ik zo geprivilegieerd. Ik raakte vertrouwd met de peristaltiek waarmee je door de poort werd gedrongen en die ergens achter in de menigte ontstond. Een ongeduldige wachtende duwde tegen een voorganger, die deze duw als een domino-effect doorgaf. Niet altijd slaagde je erin door te dringen tot de poort naar Muzikale Extase. Soms strandde je in een morrende menigte, die het onverbiddelijke aan elkaar doorgaf: de deur ging dicht, de tent was vol. Eigenlijk was Eksit te klein voor dit soort evenementen. Dat bleek ook tijdens de concerten. Het overweldigende volume van al die schitterende bands deed het zaaltje trillen op zijn grondvesten. Die trilling voegde een sensationele dimensie toe aan de muziek, die ik thuis op mijn stereo-installatie niet tot stand kon brengen.

Behalve een poptempel was Eksit een uitgaanscentrum voor punkers, alternatievelingen, artistiekelingen, randfiguren, kortom, voor iedereen die ‘disco’ een vies woord vond. Disco was in opkomst, maar het werd nauwelijks gedraaid in de nachtelijke weekenduren, waarin zuipende en blowende bezoekers losgingen op muziek van The Sex Pistols, The Stranglers, Dr. Feelgood en Herman Brood and His Wild Romance. Om muziek van Brood werd regelmatig luidkeels gemekkerd, naarmate de avond vorderde: ‘Herman! Herman!’ Ook werd de sfeer in de loop van de avond agressiever. Hells Angelachige motorduiveltypes trapten Duralexglazen aan gruzelementen.

Dit weerhield mij er niet van de volgende zaterdagavond weer te komen. Gehuld in schaarse kledij in oogbezerende kleuren en een wolk van fruitparfum begaf ik mij op de versiertoer. Aan deze ondernemingen hield ik blijvende vriendschappen over. Met mijn huidige levenspartner bezocht ik menig concert. Wij troffen elkaar niet in Eksit, maar kwamen erachter dat we het er allebei leuk vonden en besloten op een gegeven moment er samen heen te gaan.

Als loslopende meid op de versiertoer stuitte je in Eksit onvermijdelijk op Gerard, een zelfbenoemd ‘sociaal maatschappelijk werker’ met een Haags penozeaccent. Gerard zag dat je therapie nodig had, die bestond uit kledderige zoenen en gegraai onder je kleren. Behalve als ‘sociaal maatschappelijk werker’ wierp Gerard zich op als dichter. Stapels diepzinnig bedoelde gedichten liet hij je doorworstelen. …‘Na een hele poos; ben je zelf ook doelloos’…. Dat soort werk.

Als vrijwilliger behoorde Gerard tot het meubilair van Eksit. Hij maakte zich verdienstelijk door de Duralexglazen te redden van de motorduivellaarzen, door ze op te halen in torenhoge stapels, onder de aanhoudend waarschuwende kreet ‘Pardon, personeel!’

Als verzamelplaats van schilderachtige figuren, spraakmakende muziekacts en ontmoetingsplek van gelijkgestemde popliefhebbers leeft Eksit voort in mijn herinneringen. Eigenlijk zou het een monument moeten zijn, maar zelfs het gebouw is er niet meer.

4 Totaal items